| 1
| Daar zijn de daken met vladen bedekt
| 60
| Men moet zich krommen, wil men door de wereld kom(m)en.
|
| 2
| Zij zijn onder de bezem getrouwd. / Vrijen onder één dak is een groot gemak.
| 61
| Ons heer een vlassen baard aandoen.
|
| 3
| De bezem uitsteken.
| 62
| Rozen voor de varkens strooien.
|
| 4
| Hij ziet door de vingers
| 63
| Zij hangt haar man de blauwe huik om.(een huik is een mantel)
|
| 5
| Daar hangt het mes*
| 64
| Hij steekt het varken door de buik.
|
| 6
| Te patijnen staan
| 65
| Twee honden aan één been komen zelden overeen.
|
| 7
| Zij hebben elkander bij de neus.
| 66
| Op hete kolen zitten.
|
| 8
| De dobbelsteen is gevallen.*
| 67
| Het vlees aan het spit moet begoten worden./ Het is gezond in het vuur te pissen.*/ Zijn vuur is uitgeblust.*
|
| 9
| De gekken krijgen de beste kaart
| 68
| Men moet het gebraad aan het spit leggen, terwijl het vuur brand./ Met hem is geen spit te draaien.*
|
| 10
| 't is naar 't vallen van de kaart
| 69
| Hij vangt vissen met zijn handen*/ Een spiering werpen om een kabeljauw te vangen.
|
| 11
| Hij schijt op de wereld
| 70
| Door de mand vallen
|
| 12
| De omgekeerde wereld*
| 71
| Tussen hemel en aarde zweven.
|
| 13
| Door het oog van de schaar zien*
| 72
| Zij ziet naar het hennenei en 't ganzenei laat zij lopen.
|
| 14
| Laat een ei in het nest.*
| 73
| Hij gaapt tegen de oven/ Hij moet lang gapen, die de oven overgapen zal.
|
| 15
| Hij heeft tandpijn achter zijn oren.
| 74
| Hij weet nauwelijks van 't ene brood tot 't andere te geraken.
|
| 16
| Tegen de maan pissen./Hij heeft tegen de maan gepist.
| 75
| Wie zoekt die vindt.
|
| 17
| Zijn dak heeft een gat.*
| 76
| Hij zoekt het bijltje./ Een bijl met de steel.*
|
| 18
| Een oud dak heeft vele reparaties nodig.*
| 77
| Een harkje zonder steel.
|
| 19
| Het dak heeft latten.*
| 78
| Die zijn pap gestort heeft, kan niet alles weder oprapen.
|
| 20
| Daar hangt de pot uit.
| 79
| Zij trekken aan het langste eind.
|
| 21
| De gek zonder zeep scheren.
| 80
| De liefde is aan de kant waar de geldbuidel hangt.*/ Hij houdt zich vast.*
|
| 22
| Het groeit het raam uit.*
| 81
| Hij zit in zijn eigen licht./ Er zoekt niemand anderen in de oven, die niet zelf daarin was..*
|
| 23
| Het zijn twee zotten onder één kaproen.
| 82
| Hij speelt op de kaak.(een kaak is een schandpaal)
|
| 24
| De ene pijl na de andere verschieten./Men moet niet al zijn pijlen verschieten.
| 83
| Hij valt (of springt) van de os op de ezel.
|
| 25
| Zij zou de duivel op een kussen binden.
| 84
| Het spijt de ene bedelaar, dat de andere voor de deur staat.*
|
| 26
| Een pilaarbijter.
| 85
| Hij kan door een eiken plank heen zien, waar een gat in zit.*
|
| 27
| Zij draagt water in de ene hand en vuur in de andere.
| 86
| Zijn gat aan de poort vegen./ Hij draagt zijn last.*
|
| 28
| Hij heeft de koek op het hoofd./ Hij braadt de haring om de kuit./ Zijn haring braadt er niet.
| 87
| Hij kust de ring.*
|
| 29
| Hij heeft meer in zich dan een lege haring.* De haring hangt aan zijn eigen kieuwen.*
| 88
| Achter het net vissen.
|
| 30
| Hij zit (of valt) tussen twee stoelen in de as.
| 89
| Grote vissen eten de kleine.
|
| 31
| Wat kan de rook het ijzer aandoen.*
| 90
| Hij kan niet zien dat de zon in het water schijnt.
|
| 32
| De klossen vallen in de as.*
| 91
| Geld in het water gooien.
|
| 33
| De hond in de schapraai vinden.(Een schapraai is een provisiekast)
| 92
| Zij schijten alle twee door één gat.
|
| 34
| Hier trekt de zeug de tap uit.
| 93
| 't hangt als een kakhuis boven een gracht.
|
| 35
| Met het hoofd tegen de muur lopen.
| 94
| Hij slaat twee vliegen in één klap.(Vlaamse vertaling en vlgs. mij correct) (In de Duitse vertaling staat : Hij wil twee vliegen met één klap raken*; oftewel hij wil teveel; precies dus het tegenovergestelde)
|
| 36
| Bent u een krijger of bent u een boer?
| 95
| Hij kijkt naar de ooievaar.
|
| 37
| De kat de bel aanbinden.
| 96
| Aan de veren herkent men de vogel.*
|
| 38
| Tot aan de tanden gewapend.*
| 97
| De huik naar de wind hangen.(een huik is een mantel)
|
| 39
| Een ijzervreter.*
| 98
| Hij want pluimen in de wind.(hij schudt veren in de wind*)
|
| 40
| De hennetaster./Ongelegde eieren zijn onzekere kuikens.
| 99
| Het is goed riemen snijden uit andermans leder.
|
| 41
| Altijd aan één been knagen.
| 100
| De kruik gaat zo lang te water tot hij barst.*
|
| 42
| Daar hangt de schaar uit.
| 101
| Hij heeft een paling bij de staart.
|
| 43
| Hij spreekt met twee monden.*
| 102
| Tegen de stroom op zwemmen.
|
| 44
| De ene scheert de schapen, de andere de varkens.
| 103
| De kap op de tuin hangen.
|
| 45
| Veel geschreeuw en weinig wol.*
| 104
| Hierom en daarom gaan de ganzen barrevoets.(vlaamse verklaring)/ Hij ziet de beren dansen/ Wilde beren zijn graag bij elkaar*
|
| 46
| Scheer ze, maar zuig ze niet uit.*
| 105
| Wie vuur eet, schijt vonken.*/ Hij loopt alsof hij vuur in zijn kont heeft.*
|
| 47
| Geduldig als een lam.
| 106
| Waar het hek open is, lopen de varkens in 't koren./ Mindert de schoof, zo wast het varken.
|
| 48
| De ene rokkent wat de andere spint. (rokken is wol op een rokken (klos) winden)/ Zie dat daar geen zwarte hond tussen komt.
| 107
| Hij steekt zijn neus in brand om zich aan de kolen te warmen./ Als het huis brandt, warmt men zich aan de kolen./ Hem is 'evenveel wiens huis er brandt, als hij zich maar bij de kolen warmt/ Goede soldaten vrezen geen vuur./ Waar rook is is ook vuur
|
| 49
| Hij draagt de dag met manden uit.
| 108
| Gescheurde muur is saan ontset
|
| 50
| De duivel een kaars ontsteken.
| 109
| Voor wind is goed zeilen.
|
| 51
| Bij de duivel te biecht gaan.
| 110
| Een oog in 't zeil houden.
|
| 52
| De oorblazer.
| 111
| Ben ik niet geroepen om de ganzen te houden, laat het ganzekens wezen./ Wie weet waarom de ganzen blootvoets gaan.*
|
| 53
| De vos en de kraai hebben elkander te gast.
| 112
| Paardenkeutels zin geen vijgen.
|
| 54
| Wat heb je aan een schone tafel, als deze leeg is?*
| 113
| Hij sleept het blok.*
|
| 55
| Hij is een opschepper.*
| 114
| Angst doet de ouden rennen.
|
| 56
| Het is hem aangerekend.*
| 115
| Hij beschijt de galg
|
| 57
| Te laat de put gevuld, als 't kalf verdronken is.
| 116
| Waar aas is vliegen de kraaien.*
|
| 58
| Hij laat de wereld om zijn duim draaien.
| 117
| Als de ene blinde de andere leidt, vallen zij beiden in de gracht.
|
| 59
| Een stok in het wiel steken.
| 118
| De reis is nog niet gedaan, al ziet men kerk en toren staan. |